Het levende, het verderfelijke en het gestorvene

Heel wat snufjes omringen ons maar brengen toch niet dat verhoopte zalig lang durend geluk. Wij moeten er bewust van zijn dat aan alles een einde komt. Eveneens moeten wij beseffen dat wij beter onze ogen kunnen richten op datgene wat wij niet kunnen zien maar niet verderfelijk is.

In het vorige artikel kon u lezen over de beperkte levensduur die alles, ook de mens, heeft.

 

Al die mooie dingen die ons omringen kunnen wel de ogen uitsteken van de mensen hier op aarde. Maar met hun eigen beperktheid op aarde zouden zij  zich beter afvragen of wij niet moeten stil staan bij die beperktheid en niet beter zouden uitkijken naar veel belangrijkere waarden dan die materiële zaken die wij kunnen waarnemen.

 

Als wij goed nagaan in de wereld heeft het materialisme de mens nog niet echt ver gebracht. Geen enkel spul heeft de mens werkelijk kunnen verhogen.

 

Als wij onszelf met al die wereldse spullen niet in leven kunnen houden, hebben wij dan wel vooruitzichten?

 

“28 (22-29) Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen. 29 (22-30) Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.” (Psalmen 22:28-29 STV)

 

In dat vers is er sprake van een koninkrijk van een Heer die heerst over heidenen en zelf over alle volkeren. Nochtans zien wij nu velen heersen over volkeren en hen allerlei soorten onrecht aan doen. Nu heerst er voor het ogenblik een mens wiens bloed onzuiver is of wiens hart onzuiver is. Maar wij moeten weten dat dat niet zo zal blijven.

 

Boven en buiten al het zichtbare is er het onzichtbare dat van meer onschatbare waarde is dan alles wat wij hier maar kunnen verzamelen.

 

Sommige mensen mogen denken dat zij nog iets kunnen doen voor de doden, maar de bijbel leert ons anders.

 

“Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.” (Prediker 9:5 STV)

 “21 Zo zeiden zijn knechten tot hem: Wat is dit voor een ding, dat gij gedaan hebt? Om des levenden kinds wil hebt gij gevast en geweend; maar nadat het kind gestorven is, zijt gij opgestaan en hebt brood gegeten. 22 En hij zeide: Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend; want ik zeide: Wie weet, de HEERE zou mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bleve. 23 Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen.” (2 Samuël 12:21-23 STV)

 

Daar waar de doden naar toe gaan, het graf, is er niets meer te doen voor de doden. Zij zelf zullen niets meer kunnen doen, want het zal te laat zijn voor hen. En de levenden zullen ook niets meer voor hen kunnen doen.

 

“5 De levende mensen weten tenminste dat ze ooit zullen sterven. Maar de doden weten niets. Ze hebben niets meer te verwachten. Ze zijn vergeten. 6 Hun liefde, hun haat, hun verlangens-alles is verdwenen. De doden doen niet meer mee met de dingen die onder de zon gebeuren.” (Prediker 9:5-6 BasicBijbel)

 “Mensen zullen aan jullie vragen: ‘Willen jullie voor ons aan waarzeggende geesten en aan de geesten van doden om raad vragen?’ Maar die mompelen en piepen alleen maar wat! We moeten toch alleen aan onze God om raad vragen? Waarom zou je aan de doden om raad vragen voor de levenden?” (Jesaja 8:19 BasicBijbel)

 “10 Niemand van jullie mag zijn zoon of dochter als brand-offer offeren. Jullie mogen op geen enkele manier aan waarzeggerij doen. Niet met een wichelroede, niet door voortekens uit te leggen en niet door toverij. 11 Jullie mogen ook geen geesten oproepen, met geesten praten of de geesten van gestorven mensen om raad vragen. 12 Want de Heer vindt het verschrikkelijk als jullie dat doen. De volken die nu in het land wonen, doen deze verschrikkelijke dingen wel. Juist daarom jaagt de Heer God hen voor jullie weg.” (Deuteronomium 18:10-12 BasicBijbel)

Commentaar schrijven

Commentaren: 0